Van de hak op de tak 6

T.g.v. het eerste lustrum van “Op Acht” heeft de redactie gevraagd om copie en foto’s. Het is opmerkelijk dat juist van onze vaste medewerkers : Habitans Octi en Agricola Innocens, wél deze zaken binnenkwamen. En even opmerkelijk dat onze “vaste” lezers in het inzenden van copie, verstek lieten gaan. Wij zijn dan ook verheugd met onderstaand artikel, dat op, een gezellige manier verslag doet over een voorbije tijd, uit onze Achtse gemeenschap.

Er is mij door de redactie gevraagd om iets te schrijven over vroeger. Dit wil ik graag doen. hoewel ik weet dat ik geen Antoon Coolen of Toon Kortooms ben. Ik zal het doen zoals ik het beleefd heb, en met mijn hand op de bijbel dat ik niets verzin; het is zó gebeurd. Zoals ik al in mijn eerste artikeltje gezegd heb: Ik wil niemand kwetsen. En ik heb ook niet de minste intentie dat nu te doen.”
Nu dan: toen ik een dikke 60 jaar geleden hier op Acht verzeild raakte, dacht ik bij mezelf: Jonge waar ben je nu terecht gekomen. Acht was een dorpje met +- 1800 zielen en lag letterlijk tussen de bossen verscholen.
Verder een smal straatje van kinderkopjes, en langs de weg overla sloten. Op de Boschdijk stonden toen maar 5 of 6 huizen. De woningbouw bestond toen ook nog niets dus U kunt begrijpen veel groen en veel water.
Er zijn mensen, dat weet ik zeker, die dat Acht van vroeger best terug zouden willen hebben: het was toch ook een schattig dorpje. Wij hadden ook nog géén gas, géén licht en géén waterleiding. En zoals nu nog wel eens gezegd wordt: De helft van Acht zijn boeren., zo was het toen ook nog echt.
Zijn we nu in deze moderne tijd beter af ?? Ik weet het niet.
Elk dorp had (en heeft) zo toch wel zijn eigen dorpstypes.En mogelijk mede daardoor ook zijn eigen bekoring. Kijk, en naar die dorpstype’s, daar wil ik naar toe.
En als ik dan in mijn gedachten terug kijk, zie ik daar op die smalle weg met kinderkopjes, een paard en wagen met allerlei huishoudelijke artikelen erop. Dus een venter.
Die man was altijd kalm en bedaard, en bleef nog al dikwijls bij zijn klanten een kopje koffie drinken. Och ja, vroeger hadden we tijd zat.
Diezelfde man gaat nu nog de boer op, met een bestelwagentje. hij kan het niet laten. Ja, jullie hebben hem al herkend, Theo van Nistelroode. Die zou ook heel wat over Acht kunnen vertellen. Misschien dat hij dat nog wel eens doet?? Twee weten immers meer dan één.
‘s Avonds en ‘S nachts was het altijd stikdonker- Alleen bij de overweg brandde een lichtje. Dat lampje was bevestigd aan een grote, rechtopstaande spoorbiels. Bezijden de spoorlijn stond een klein seinhuisje, dat werd bediend door Nolleke Wouters.
Hij had daar vlak bij een klein stukje land liggen waar hij altijd op ,aan het werken was. Af en toe keek hij dan op zijn horloge of er nog een trein moest komen, want dan moest hij de spoorbomen dichtdoen. Wie van de lezers Nolleke nog gekend hebben weten dat hij onder een hoek van 90 graden liep.
Wat was dat manneke krom, Meestentijds kwam hij te laat om de bomen dicht te doen. De machinist floot dan nog wel eens of hij wou zeggen de volgende keer beter..
Zoiets kon vroeger,maar het zou nu lang niet mooi staan. Later werd de overweg bediend vanaf het, stationnetje. En daar wilde ik in mijn gedachten naar toe. Neven dat stationnetje had je een klein apart hokje, waar Peerke Vloek voor de lampen moest zorgen. Peerke was een goei manneke, maar als hij kwaad werd dan begon hij zo, te vloeken dat zelfs de duvel er geen brood van lustte. Ik heb zijn vader eens gesproken, en die zei mij toen dat toen Peerke pas 4 jaar was en hij nog geen pap of mam kon
zeggen, hij toch al als de beste kon vloeken. Je stond er toen al versteld van. Waar hij dat toch geleerd kon hebben, kon zelfs zijn vader niet begrijpen……

Toen Peerke ongeveer 16 jaar was kreeg hij een baantje bij het station.
Hij moest de lampen vullen en de reflectors prima schoon poetsen dan geven ze gaven ze meer licht.
Ik heb er eens naar mogen komen kijken. Hij deed dat schoonmaken, zo: Hij nam een soort puimsteen, en raspte die fijn,en met dat poeder werd dan de lamp gepoetst. Dan blonken ze als een spiegel, en hadden dus een mooie
lichtweerkaatsing. ‘s Avonds om een half uur voor zons-ondergang, zag je Peerke met die lampen dragen. Die kwamen dan in de signaalpalen te hangen.
Het waren er altijd een stuk of vier. En één daarvan kwam aan de biels bij de overgang te hangen.
Op een donkere avond liepen wij met drie vrienden te wandelen om eens te zien of wij geen kattenkwaad uit konden alen. Dus er is nog steeds geen nieuws onder de zon: vroeger deden de kinderen al net als nu. Toen vielen echter onze blikken op die prachtig gepoetste lamp. Wat zouden we daarmee kunnen doen?? Na enig beraad hadden we het : We haalden de lamp er af. En deden het lichtje uit, en toen één voor èèn de broek omlaag..,. Met veel moeite kregen we de lamp helemaal vol. Zeg nu zelf, zoiets kun je zomaar niet op commando, maar na veel moeite had ook de 3e zijn offer gebracht. Toen hingen we de lamp weer op, en zorgden voor een nog-heel-klein-vlammetje.
Wij naar huis, maar we spraken wel af dat we ‘s morgens om 8 uur in de sloot zouden liggen, als peerke kwam om de lampen op te hallen. En vervolgens weer zou gaan oppoetsen.
En jawel hoor daar kwam Peerke aan. Hij had zeer goede zin, want hij floot een deuntje.
Maar bij die lamp aangekomen begon hij te vloeken als een ketter. Razen en tieren dat horen en zien je verging Hij moest 100m lopen voor hij weer in zijn hokje was teruggekeerd, maar je kon hem al die 100m. horen ketteren.
Enkele dagen later sprak ik met de stationschef, en vroeg langs mijn neus weg hoe het met Peerke Vloek ging. Nu hield die stationschef ook wel van een grapje,en had mij allang door, dat ik er wel meer van zou weten. Hij moest er wel hartelijk mee lachen, maar vertelde dat Peerke wel 3 avonden op de loer gelegen had, of ze het nog eens zouden doen. maar dat gebeurde niet meer: één keer was genoeg.
Wat nog meer vroeger?? O ja onze jongensschool. We hadden daar twee meesters Meester van Hoek, een dikke vriendelijke man, en dan meester Arts, een klein mager manneke. Dat was een kwaaie. Hij liep altijd kaarsrecht, en droeg altijd een bolhoedje. Hij was van buiten een echte heer.
Als hij ‘s avonds om 7 uur met zijn melkkannetje door de straat liep om melk te gaan halen bij Doruske van Acht, dan groette hij iedereen zeer minzaam, en steeds ging dat bolhoedje omhoog. Het leek dan wel een hoge militair.hij zou in staat zijn om. ook de lantaarnpalen te groeten. We hadden toen inmiddels elektrisch licht gekregen.
Op school hadden we allemaal schrik van meester Arts. Hij sloeg altijd met een liniaaltje, en dat kwam hard aan.
Op zekere dag had ook een van mijn vrienden een tik gekregen met dat latje. Na school riep hij ons allemaal bij elkaar, want hij wilde wraak nemen. Na lang wikken en wegen hadden we het gevonden…….
Eventjes voor zevenen zagen we hem al aankomen. En wat deed mijn kameraad?
‘Hij had een krant met poep meegebracht, en smeerde de deurklink van Doruske vol. Tegenover Doruske was een paadje, en daar kropen wij achter de heg. En jawel hoor, hij nam de deurklinkvast, maar liet hem meteen weer los. Maar… te laat .We hoorden hem mopperen over kwajongensstreken en zo meer.
De eerste dagen zat hij in school maar te loeren of er niemand door de mand,zou vallen,want hij begreep heel goed dat het iemand uit zijn klas geweest was die hem dat geflikt had. Maar wij trokken allemaal een engelengezicht, en zo is hij er nooit achter gekomen.
We gaan weer in gedachten verder.
Maar nu een heel, verhaal over een persoon die al meer dan 40 jaar dood is, en geen familie hier heeft wonen. Ik kan ook niet een gefingeerd persoon gaan noemen want dan schiet ik mijn doel voorbij. Toch heb ik eerst de redactie nog gevraagd en die zag er geen bezwaar in. Dus ik waag het er maar op.
De meeste Achtenaren van nu hebben hem niet meer gekend,zeker niet diegenen onder de 45 Jaar. Dus daar ga ik dan:
Het gaat dan nu over pastoor Warong, die in de kindermis in maart 1934 overleden is. (elders in dit nummer, een foto uit die tijd) Hij was een echte dorpspastoor, zo een zoals men die tegenkomt in streekromans.
Niet groot, maar wel ontzettend dik, en dan nog dunne spillebenen. Een brilletje op zijn neus. Zo heb ik hem in korte lijnen voor U geschetst. En hangt nog een grote “foto” van hem in de sacristie, geschilderd door een van mijn oud-klasgenoten Tieske Roestenburg. Die heeft nog verschillende doeken voor onze kerk geschilderd. Helaas is hij jong gestorven, in Nieuw Zeeland meen ik.
Pastoor Warong moest je goed kennen om er iets van gedaan te krijgen. Want hij was nogal wispelturig. De ene dag was hij vol goeie zin, de andere dag was hij nog al stug.
Zijn pastoorsmeid heette Cornelia, kortweg Cor. En zoals dat toen ook al gebruikelijk was, Cor was de baas, niet alleen in de keuken, maar ook over veel dingen die niet direct verband hielden met de huishouding. Om kort te zijn: de pastoor zat een beetje onder de plak.
Pastoor Warong was wel een begaafd musicus. Orgelspelen kon hij prachtig.
En hij hield van goede muziek.
Ik meen dat hij oorspronkelijk een Hagenaar was of daaromtrent. Maar hij hoorde echt in Acht thuis.
Een goede (?) eigenschap van hem was dat hij erg impulsief was. Als hij ergens aan dacht flapte hij het er meteen uit, dan bedacht hij zich geen ogenblik.
In het voorjaar vroeg hij altijd aan de boeren een kar mest. Voor de tuin.
‘S Maandags morgens stonden de boeren al te dringen om toch maar de eerste te zijn. Affijn u begrijpt me al?? Een keer was hij het vergeten te vragen voor hij ging preken. En juist op het moment waarop hij, na de preek zich omdraaide om het gebruikelijke “Dominus vobiscum” te zeggen, zei hij: “De boeren worden vriendelijk verzocht om een karretje mest te brengen”. De koorzangers raakten daardoor uit balans, en aarzelend hoorde je toen van het koor: Et cum spiritu tuo”.
Wat had de kerk toen een plezier.
Kijk zo was hij nou, op het moment dat hij ergens aan dacht, voerde hij het ook uit.
Nog een ander voorval, dat met mij nog veel anderen moeten weten. Op een zekere Zondag in de Hoogmis zou hij gaan preken. Met veel moeite wrong hij zich door het deurtje van de preeksteel. Recht er in ging niet gemakkelijk, daar was hij toch te dik voor.
Meestal bleef hij daarom maar voor het altaar staan.
Juist, op deze Zondag, zag hij echter de buitendeur van de Kerk openstaan.
Vanaf de preekstoel zie hij toen dat de deur dicht moest. Niemand verroerde zich.
“Die deur dicht, anders doe ik het zelf”, bulderde hij. Weer verroerde niemand zich, en jawel hoor, hij wrong zich uit de preekstoel, en ging zelf de deur dicht maken. Hij was al halfweg teruggekeerd, bleef staan, alsof jij wou zeggen: Heb ik ‘m dat niet goed gelapt?” of misschien ,om te kijken of er niet iemand lachtte. En dat gebeurde natuurlijk ook.
Misschien van de zenuwen?? Wat deed de pastoor? Hij liep terug en schopte die persoon gewoon tegen zijn achterste….
Die man was toevallig voor de eerste keer bij ons in de kerk, met een vriend meegekomen, dus kende hij onze pastoor niet.
Hij was er zo verbouwereerd van dat hij de wijste partij koos, en de kerk uitging.
Kijk zo was die pastoor nou Mee d’r bovenop.
Vroeger was het op de feestdagen ontzettend. druk in de kerk, als er gebiecht moest worden. De kerk stond dan op de biechttijden tot achter toe vol. En het duurde soms wel een uur voor men aan de beurt kwam.
Zo af en toe hield hij dan wel eens even op met biechthoren, om te kijken of er nog voel mensen zaten te wachten.
Op een keer werd het hem wel een beetje te gortig. Hij kwam toen uit de biechtstoel en zei tegen de rest van de mensen die nog zaten te wachten, “Gaat U maar allen heen, uw zonden zijn U vergeven”. Kijk zo maakte hij ook schoon schip als hem iets niet zinde.
-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-
De lezers zullen wel denken wat een lang verhaal,maar ik ben er nu eenmaal aan begonnen, dus ik schrijf maar door. Per slot is dit nummer van “op Acht” een jubileum nummer. En dat mag gevierd worden.
-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-
Het was bij hem de gewoonte dat als het vakantie was in Augustus, een paar van de grootste leerlingen uit de hoogste klas, bij de pastoor hout mochten komen kappen van omgewaaide of dode fruitbomen. Deze bomen werden dan netjes in stukken gezaagd en gekliefd. De blokken werden dan in het koetshuis opgestapeld om in de winter dienst te doen in het fornuis.
Ik mocht er met drie vrienden ook eens meehelpen. Maar wij hadden afgesproken, dat we ieder op zijn beurt de klomp zouden breken.
“Per ongeluk” dan wel te verstaan. We wisten immers dat we dan één gulden kregen van de pastoor, om nieuwe klompen te kopen. Ze kosten toen echter maar 90 cent. En dus hielden we een dubbeltje over. Daar kochten we dan stiekem een pakje sigaretten voor.
De klompen kochten we bij Nol van Hannes Pietjes, bij de overweg. Bij onze hout-kap-vakantie kwam Cor de keukenmeid ‘s middags in de tuin eten brengen. Sjonge, sjonge wat smaakte dat heerlijk. Thuis kregen we niet zo
fijn te eten, dat zat er immers niet aan. En daarbij, zeg nou zelf ,eten van de pastoor!
Na een paar weken waren we er dan mee klaar, en “da we bedankt waore da witte “. Verder kregen we er geen mieter voor. Het was toch al een hele eer dat je dit mocht doen.
Maar wij waren ook niet van gisteren. We hadden stiekum een zootje appels geplukt, en achter door de heg gedeponeerd. ‘s Avonds gingen we dan die appel’s oprapen, en onder elkaar verdelen. Zo kwamen we toch aan onze
trekken. Maar ja hoe ging dat ook vroeger??
Het zat ons toch niet erg lekker, en vooral niet toen het weer biechttijd werd. Zo tegen Allerheiligen. We voelden ons hoe langer hoe meer schuld bewust, en durfden het in de biechtstoel ook niet te verzwijgen. En jawel
hoor, nu zou het gebeuren.
Verzwijgen durfde ik het niet, en daarom liet ik het deurtje van de biechtsteel maar vast op een kiertje staan, voor als de pastoor nu eens uit zijn slof zou schieten. Het die deur op een kier kon ik ‘m nog tijdig
smeren ,voor de pastoor mij te grazen zou nemen. Daarvoor was hij immers best in staat. Het grote ogenblik brak aan. Hij vroeg “Wa hedde nog meer gedaon? ” Toen vertelde ik hem dat ik ook nog appels gestolen had uit zijn
tuin toen we hout mochten kappen.
Even bleef het angstig stil, en ik zat al klaar. Toen vroeg hij aan mij van welke boom ik de appels geplukt had. “pastoor, van die en die boom “.
“O, gelukkig”, zie de pastoor, want die appels vind ik toch niet zo lekker,en ge kunt ze niet bewaren voor de winter. Het zou anders geweest zijn als ge goudreinetten. had gebietst, Dan war de nog nie met me klaar
geweest. Maar zo is het goed in menneke, ga maar gerust naar huis, maar lapt ‘m de nie mir.
Kijk zowas hij nou ook weer, Ergens had hij een klein hartje, daar kom ik straks nog wel op terug.
Op zekere dag kreeg onze pastoor het in zijn hoofd om te gaan leren fietsen, De koorzangers moesten hem helpen leren fietsen. Drie van die koorzangers leven nog, en krijgen dit onder ogen. Zij zullen beamen dat het werkelijk zo gebeurd is.
Dat leren fietsen ging zo in zijn werk: Er moest er één links en één rechts van hem rijden, om hem in evenwicht te houden.
De plaats van oefening was rondom de pastorie, en het kloosterpadje. Na enkele weken oefenen begon het ergens op de lijken. Ge moest hem dan op het zadel zetten, en een duwtje geven. En daar ging ie dan, geflankeerd door zijn twee koorzangers. Vroeger stapte men altijd van achteraf op de fiets. via een pinneke. De ouderen onder de lezers weten dat nog wel.
Niet echter onze pastoor, die kon van achteraf niet opstappen, want hij was te zwaar. en toen hij het een keer toch eens probeerde, brak het pinneke af, en maakte hij een lelijke smak.
Na enige tijd zei hij tegen zijn koorzangers: “Ik fiets naar Geldrop”.
Daar woonde nog een goede kennis van hem. De koorzangers moesten met hem meegaan, want alleen durfde hij het nog niet zo goed. Alhoewel er vroeger toch maar weinig verkeer was.
Zo gezegd, zo gedaan. Via de Boschdijk kwamen ze op de Demer.. Vroeger stond daar altijd een verkeersagent, op het hoekje van de Vrijstraat Juist toen ze met z’n drieèn daar aankwamen, gaf de agent juist een stopteken.
Daar had de pastoor niet opgerekend,hij vergat te remmen, en liet zich pardoes vallen tussen zijn 2 begeleiders in. Alle drie lagen ze daarop het trottoir.Dat gaf me een consternatie, dat kan men begrijpen. Kleren gescheurd en fietsen kapot.
Van armoei zijn ze toen maar omgedraait, èn te voet naar huis getippeld.
Het viel nog mee dat de pastoor de agent niet te lijf ging. Hij was ertoe in staat..
Na dat voorval heeft de pastoor nooit meer gefietst. Als hij voortaan ergens heen, moest, dan kon Tinuske Timmer komen met het paard en rijtuig om hem er heen te brengen of hij bleef gewoon thuis.
Eens per jaar werd zoals gebruikelijk de Plechtige Communie gevierd. Voor kinderen op ongeveer 12 á 13 jarige leeftijd. Na de mis mochten dan de communicanten bij de pastoor boterhammen gaan eten. Men moest daarvoor wel f 1.– geven, en dat was voor die tijd niet weinig.
Affijn we begonnen met zijn allen te eten, want we hadden verr… honger, dat begrijp je’. Vroeger moesten we immers nuchter blijven vanaf ‘s nachts 12.00 u. Dus nu, bij de pastoor aan tafel, ging het erop. Na enige tijd
als we allen de buik vol hadden, werden de krente bollen op tafel gebracht. sjonge, sjonge, als we dat geweten hadden,hadden we niet zoveel brood gegeten. Nu konden we er hooguit 2 op. Toen snapten we pas dat de pastoor ons toch nog te pakken had gehad. Immers, ook vroeger kon je niet voor f 1.– brood op, zodat nu de pastoor er het beste mee was.
Na afloop van de koffietafel mochten we van de pastoor in de tuin gaan wandelen, maar hoe eigenaardig voor die tijd, we moesten dan gearmd met een meisje in de tuin wandelen. Dit was. zeker weer een bevlieging van de pastoor. Het was rouwens toch het laatste jaar geweest, want een van de jongens had een stenen hert in de vijver gemikt en uit was het voortaan met die pret. Andere jaren mochten de plechtige Communicanten niet meer in de tuin wandelen. Ook herinner ik me nog aan ander voorval. De hoofdrolspelers zijn toch allang dood, dus die hebben er geen pijn meer aan. Als je vroeger je Plechtige Communie ging doen, moest je de hele katechismus van buiten kennen. Je moest dan één voor één de vragen beantwoorden. Maar ja hoe gaat dat?? Thuis ken je alle vragen goed, maar als je bij de pastoor moest komen, dan viel dat opzeggen bar tegen.
Een vriend van mij kon nooit iets onthouden. Vandaag wist hij het, en morgen was hij het vergeten. Dus kwam hij huilend thuis want hij mocht zijn Communie niet doen. Een grote teleurstelling voor hem, en zijn ouders schaamden zich dood. Goede raad was duur. En wat doet de moeder van de jongen?? Zij gaat naar de pastoor toe en zegt tegen hem, dat als haar zoon toch de communie mee mocht doen, zij dan een grote krentemik voor de pastoor zou bakken.
De pastoor zei: “Stuur hem nog maar eens”. En jawel hoor, hoewel hij ,er weer niets van terecht bracht, mocht hij toch meedoen. Enige dagen later bracht de moeder bij de pastoor de beloofde mik.
Toch kreeg die muis nog een staartje. Zoals men weet moesten de priesters dagelijks uit hun brevier bidden. Het was mooi weer, en daarom liep de pastoor al wandelend door het dorp, te brevieren, Toevallig liep hij door het straatje waar die moeder woonde, en zij. was juist bezig de was op te hangen. De pastoor kreeg haar in het vizier en riep, zo luid dat ieder het kon horen: “Mieke die mik heeft best gesmaakt” . De moeder schrok zich een bult, en geneerde zich geweldig voor de buurt.
Zo was pastoor Warong :recht voor zijn raap.
Als de boeren vroeger geslacht hadden, was het de gewoonte dat ze een stuk vlees naar de pastoor brachten. En natuurlijk was dat altijd het beste van het varken, de carbonade.
Ik heb meemalen boerinnen met een mandje naar de pastorie zien gaan. Op een keer is zondags voor de preek zei hij: “Jullie brengen altijd vlees, maar ik lust ook wel spek”
Op een andere keer zei hij, voor de preek: “Hedenmiddag om 3 uur lof, Als er tenminste koorzangers zijn”, terwijl hij dan nijdig naar boven keek.
Zoals ik al zei, ergens had hij toch een heel goed hart. Het was toen hij bij zijn 25-jarjig priesterjubileum, van de parochianen enkele prachtige kandelaars gekregen had. Ik zei hem nog staan op de preekstoel. Hij stond gewoon te snikken. Ook toen zijn dienstmeid Cor gestorven was, stond hij te snikken bij het graf.
Op een zondag morgen in 1934, is hij onder de kindermis gestorven. Zo in het harnas zou men haast zeggen. Het was een echte dorpspastoor, met een groot en goed hart, maar je moest hem kennen.
Na hem kwam pastoor Scheepens, een echte bouwpastoor. Hij heeft ontzettend veel voor de parochie gedaan.
Nu tot besluit een suggestie van mij: Zou de dorpsraad er niet voor kunnen zorgen dat een van de nieuwe straten een naam van beide pastoors zouden krijgen.?? Dat hebben ze beide wel verdiend.
(gepubliceerd kerst 1975) Een oud-Achtenaar

0

Reacties zijn gesloten.